De notulen van de vorige openbare zitting van 23 oktober 2025 werden aan de raadsleden ter beschikking gesteld via e-notulen.
Artikel 44, 181 en 182 van het OCMW-decreet.
De notulen worden onder de verantwoordelijkheid van de algemeen directeur opgesteld. Elk raadslid heeft het recht tijdens de vergadering opmerkingen te maken over de redactie van de notulen van de vorige vergadering. Aangenomen opmerkingen worden aangepast. Zonder opmerkingen, worden de notulen als goedgekeurd beschouwd en worden ze door de voorzitter en de algemeen directeur ondertekend.
Notulen openbare zitting van vorige vergadering 23 oktober 2025.
BESLUIT:
Artikel 1:
De notulen van het openbaar gedeelte van de vergadering van 23 oktober 2025 worden goedgekeurd.
De OCWM-raad heeft de bevoegdheid om retributies vast te leggen. Een retributie is een vergoeding betaald door een persoon voor een dienst of prestatie gevraagd aan het OCMW.
Volgens artikel 41 van het decreet Lokaal Bestuur kan de OCMW-raad beslissen om een deel van deze bevoegdheid door te geven aan het vast bureau. Dat heet 'delegatie'. De OCMW-raad bepaalt het algemene kader en geeft de machtiging. Het vast bureau zorgt daarna voor de concrete uitvoering, zoals het vastleggen van de tarieven.
Deze werkwijze zorgt voor een duidelijke taakverdeling. Ze maakt het mogelijk om sneller te reageren op veranderende omstandigheden. Zo kan het OCMW haar tarieven flexibel aanpassen aan de praktijk, wat bijdraagt aan een efficiënte werking van de diensten.
Met de start van het strategisch meerjarenplan 2026-2031 wensen we de bestaande werkwijze formeel te bevestigen.
Het OCMW organiseert regelmatig activiteiten en biedt producten en diensten aan waarvoor een vergoeding wordt gevraagd. Deze vergoedingen noemen we een 'retributie'. De OCMW-raad moet hiervoor een retributiereglement goedkeuren.
De raad kan het vast bureau de bevoegdheid geven om deze retributies te heffen. In dat geval bepaalt de raad het algemene kader en de belangrijkste voorwaarden. Het vast bureau kan dan de tarieven vastleggen, de wijze van inning bepalen en beslissen over eventuele kortingen of vrijstellingen.
Deze werkwijze maakt het mogelijk om sneller in te spelen op veranderingen in de dienstverlening. Zo kan het OCMW haar tarieven flexibeler aanpassen aan nieuwe noden, initiatieven of prijsontwikkelingen. Dit zorgt voor meer efficiëntie, transparantie en sluit aan bij de principes van lokale autonomie en goed bestuur.
Vooral voor dienstverlening met een snel wisselend aanbod is een delegatie aan het vast bureau nuttig. Sommige activiteiten en producten veranderen per seizoen, denk aan cursussen of workshops. Omdat de kostenopbouw vaak niet gekend is, kan het OCMW hiervoor niet op voorhand één vast tarief bepalen.
Voor andere, meer stabiele diensten en producten blijft de raad zelf de retributietarieven vastleggen in een retributiereglement. Dat geldt voor diensten waarvan het aanbod weinig verandert en waarvan de prijs eenmalig kan worden vastgelegd en aangepast via indexering.
Met de opmaak van het nieuwe strategisch meerjarenplan is het gewenst om de bestaande situatie formeel te bevestigen.
Een delegatie is voorzien voor de in bijlage opgesomde dienstverlening voor het bepalen van het tarief en het toekennen van kortingen of vrijstellingen aan vooraf vastgelegde doelgroepen.
De inkomsten van de respectievelijke retributies worden ingeschreven op de daartoe voorziene jaarbudgetrekeningen van de respectievelijke diensten in het strategisch meerjarenplan 2026-2031.
Delegatiereglement voor het heffen van retributies.
Burgemeester Ludwig Willaert verwijst naar zijn toelichting van hetzelfde punt in de gemeenteraad.
BESLUIT:
Artikel 1:
De OCMW-raad keurt het delegatiereglement voor het heffen van retributies met ingang van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 goed.
Artikel 2:
Het delegatiereglement voor het heffen van retributies is toegevoegd als bijlage en vormt één geheel met dit besluit.
In het OCMW is er zowel bij het woonzorgcentrum als bij het dienstencentrum een cafetaria. De cafetariaprijzen zijn reeds geruime tijd ongewijzigd gebleven. Door stijgende kosten voor onder andere aankoop van voeding en dranken, personeelskosten, ... zijn de huidige tarieven steeds minder in verhouding met de werkelijke kostprijs. Uit een vergelijking met omliggende woonzorgcentra blijkt bovendien dat onze prijzen eerder aan de lage kant liggen.
Om de prijzen marktconform te maken en een evenwichtige bijdrage te leveren aan de inkomsten van het woonzorgcentrum en dienstencentrum, wordt voorgesteld om een prijsherziening door te voeren. Deze aanpassing maakt het mogelijk om blijvend in te zetten op een kwaliteitsvolle cafetariadienst en een aangename leefomgeving voor onze bewoners, bezoekers en medewerkers.
De voorgestelde tarieven voor de cafetaria's van het woonzorgcentrum en het dienstencentrum werden maximaal op elkaar afgestemd. Dit zorgt voor duidelijkheid en uniformiteit binnen onze zorg- en dienstverlening. De voorgestelde aanpassingen beogen een realistische, betaalbare en sociale tariefsetting waarbij bewoners, gebruikers en bezoekers kunnen blijven genieten van een toegankelijke cafetaria-ervaring.
De aangepaste prijzen worden voorgesteld om in werking te treden op 1 januari 2026.
De voorgestelde nieuwe prijszetting heeft tot doel een evenwicht te vinden tussen betaalbaarheid voor bewoners en bezoekers enerzijds, en het realiseren van een duurzaam en inkomstenverhogend aanbod anderzijds. De cafetariaprijzen blijven bewust lager dan die van klassieke cafés of restaurants en weerspiegelen de sociale functie en de laagdrempeligheid van deze werking.
De kleine prijsverschillen tussen de voorgestelde tarieven zijn gebaseerd op een aantal verschillen qua doelgroep. Het dienstencentrum focust op laagdrempeligheid en ontmoeting, terwijl de cafetaria van het woonzorgcentrum eerder een animatieve en dagbestedingsgerichte functie heeft.
Het dienstencentrum wil in het bijzonder drempels verlagen voor senioren en kwetsbare inwoners uit de buurt. Zodat iedereen, ongeacht achtergrond en inkomen, kan deelnemen aan activiteiten en er een gevoel van verbondenheid kan ervaren.
Er wordt een prijsverschil ingevoerd tussen het woonzorgcentrum en het dienstencentrum, om rekening te houden met de verschillende doelgroepen, bestaansredenen en visie over de dienstverlening.
Er wordt gekozen om de prijzen niet langer per product in het reglement op te nemen, maar te werken met categorieën. Zo wordt vermeden dat bij elke toevoeging of wijziging een formele reglementswijziging nodig is.
De prijzen worden onderverdeeld in volgende categorieën:
| Woonzorgcentrum |
Dienstencentrum |
|
|
Schepen Marc Van Ysacker licht het agendapunt toe.
Raadslid Koen Maertens (Open VLD) merkt op dat het positief is dat de prijzen democratisch blijven. Daarnaast wijst hij op een voordeel uit de meerjarenbegroting: de BTW op dranken daalt van 21% naar 12%, waardoor de winstmarge met 9% toeneemt. Het raadslid stelt voor om hier voldoende reclame rond te maken om van dit voordeel te profiteren.
BESLUIT:
Artikel 1:
De OCMW-raad keurt het retributiereglement tarieven cafetaria met in werkingtreding vanaf 1 januari 2026 goed.
Artikel 2:
Het retributiereglement tarieven cafetaria is toegevoegd als bijlage en vormt één geheel met dit besluit.
Overeenkomstig artikel 3 van het huishoudelijk reglement van de gemeenteraad, kunnen raadsleden agendapunten toevoegen aan de dagorde, uiterlijk vijf dagen voor de vergadering.
Het bijkomend agendapunt, ingediend door raadslid Koen Demonie in naam van de fractie Vlaams Belang op woensdag 19 november 2025, voldoet aldus aan de voorwaarden en wordt toegevoegd aan de dagorde van de gemeenteraad van 27 november 2025.
De federale overheid heeft beslist om de extra subsidies uit het Impulsfonds voor de lokale opvanginitiatieven van asielzoekers (LOI’s) stop te zetten. Het federale regeerakkoord voorziet bovendien in een geleidelijke afbouw van de LOI’s.
Lokale Opvanginitiatieven staan echter al langer ter discussie. Ze creëren niet alleen een aanzuigeffect, maar uit de praktijk blijkt ook dat de terugkeer van afgewezen asielzoekers vanuit een LOI aanzienlijk moeilijker verloopt. Dit bemoeilijkt een kordate en efficiënte terugkeerpolitiek.
Tegen deze achtergrond is het standpunt van het Vlaams Belang duidelijk: de LOI’s in Staden moeten zo snel mogelijk worden afgebouwd. Uiteraard moet daarbij worden gewaakt over een menswaardige overgang voor de bewoners die momenteel nog in deze opvangvorm verblijven. Deze visie sluit aan bij een bredere evolutie die zich reeds in tal van Vlaamse steden en gemeenten aftekent. De afbouw van de LOI’s is immers al enige tijd ingezet, onze buur Roeselare heeft die ondertussen ook reeds stopgezet. Volgens cijfers van Fedasil, gepubliceerd begin januari 2025, is het aantal beschikbare opvangplaatsen in LOI’s sinds 2021 met meer dan 30 procent gedaald.
Belangrijk om te benadrukken is dat de Raad voor Maatschappelijk Welzijn de bevoegdheid heeft om te beslissen over samenwerkingen, waaronder ook de organisatie van LOI’s. Hoewel de opvang van asielzoekers een federale bevoegdheid is, is het aanbieden van LOI’s een vrijwillige keuze van lokale besturen. Staden is dus niet verplicht om dergelijke opvanginitiatieven te organiseren.
Indien er momenteel een samenwerkingsovereenkomst met Fedasil bestaat, dient bij een eventuele stopzetting wel rekening gehouden te worden met de contractuele bepalingen. Deze overeenkomsten bevatten doorgaans afspraken over de duur, opzegtermijnen en wederzijdse verplichtingen. Een eenzijdige beëindiging is dus niet zomaar mogelijk, maar ze is wel degelijk mogelijk.
In de huidige context, waarin zowat elke stad en gemeente, ook de onze, geconfronteerd wordt met besparingen en een groeiende druk op de lokale middelen, biedt deze evolutie echter ook kansen. Zo kampen we met ellenlange wachtlijsten voor sociale woningen. Door LOI-wooneenheden om te vormen tot sociale woningen of noodwoningen, kunnen we tegemoetkomen aan de noden van onze eigen inwoners die zich in een acute woonsituatie bevinden.
Raadslid Andy Verfaillie en raadslid Koen Demonie lichten namens de Vlaams Belang-fractie het ingediende agendapunt toe.
Schepen Marc Van Ysacker neemt het woord en wijst eerst op enkele inhoudelijke onnauwkeurigheden in het betoog van de fractie. Zo werd gesteld dat de federale overheid heeft beslist om de extra subsidies uit het Impulsfonds voor de lokale opvanginitiatieven (LOI’s) stop te zetten, terwijl het in werkelijkheid gaat om het stopzetten van subsidies voor nieuwe LOI’s. Daarnaast vermeldt het federale regeerakkoord wel een geleidelijke afbouw van de LOI’s, maar dit in functie van de instroomcijfers, wat volgens de schepen een belangrijk onderscheid is.
De schepen benadrukt dat het bestuur geen bijkomende opvangplaatsen wil openen. De subsidiering is momenteel onvoldoende en bijkomende woningen huren op een reeds erg krappe huurmarkt is niet wenselijk.
Het bestuur is echter niet akkoord met het voorstel van de Vlaams Belang-fractie om de bestaande twee LOI-woningen – goed voor een capaciteit van negen personen – stop te zetten.
De schepen somt de voordelen van de LOI’s op: bewoners worden nauw opgevolgd door de sociale dienst, wat de integratie bevordert. Ze worden ondersteund bij het volgen van Nederlandse lessen, het zoeken naar werk en bij het opvolgen van hun asielprocedure. Ook voor medische en psychosociale hulpverlening speelt het OCMW een belangrijke rol.
Wel wordt erkend dat de termijn van vier maanden Fedasil-ondersteuning te kort is, waardoor veel bewoners dan nog geen reguliere woning gevonden hebben. Wanneer hun verblijf na vier maanden wordt geschorst, stopt de betoelaging door Fedasil, maar mogen de bewoners blijven wonen in de LOI. In dat geval betaalt de POD Maatschappelijke Integratie maximaal het leefloon, terwijl de overige kosten – zoals huisvesting en personeelsinzet – ten laste vallen van het OCMW.
Concreet bedroegen de totale kosten voor de LOI-woningen in 2024 ongeveer 91.250 euro, waarvan 79.790 euro via subsidies werd teruggevorderd. Dit resulteerde in een nettokost van circa 11.560 euro voor Staden.
De schepen erkent dat verschillende andere besturen, zoals Roeselare en Pittem, hun LOIwerking stopzetten. Indien alle lokale besturen dat zouden doen, ontstaat er echter een bijkomend opvangprobleem voor asielzoekers. De schepen stelt dat men niet blind mag zijn voor deze maatschappelijke realiteit. De idee om alle asielzoekers eenvoudigweg terug te sturen naar het land van herkomst omschrijft hij als een simplistische en onwerkbare oplossing.
De schepen besluit zijn betoog met het voorstel om niet in te gaan op het voorstel van Vlaams Belang om de LOI’s af te bouwen.
BESLUIT:
Artikel 1:
De OCMW-raad keurt de gefaseerde afbouw van de Lokale Opvanginitiatieven (LOI’s) van Staden goed, met als einddoel een volledige stopzetting uiterlijk binnen 5 maanden na goedkeuring van deze beslissing.
Artikel 2:
De betrokken LOI-medewerkers worden tijdig geïnformeerd en ondersteund in hun transitie naar andere diensten binnen OCMW of gemeente.
Artikel 3:
De raad voor Maatschappelijk Welzijn mandateert het Vast Bureau om een concreet afbouwplan met tijdslijn, inclusief communicatie naar bewoners, medewerkers en partners op te stellen en uit te voeren.
Artikel 4:
Het Vast Bureau rapporteert aan de raad voor Maatschappelijk Welzijn over de voortgang van de afbouw en maakt ook een financiële afrekening op na afloop van de afbouwperiode.
De Thuis- en Zorgdienst van het OCMW Staden is sinds 2008 erkend als dienstencheque-onderneming. Deze ondernemingen worden geconfronteerd met toenemende exploitatiekosten, waaronder voornamelijk stijgende personeelskosten. De prijs van de dienstencheque en de subsidie per dienstencheque worden vastgelegd door de Vlaamse overheid, waardoor de dienstencheque-onderneming als inrichtende instantie hier geen directe invloed op heeft.
De werkgeversorganisaties en de Vlaamse overheid hebben een afsprakenkader overeengekomen waarbij dienstverlening in de dienstenchequesector duurzaam en kwalitatief kan blijven functioneren door de mogelijkheid te voorzien om administratiekosten aan te rekenen. Binnen de OCMW-sector wordt deze bijdrage de ‘welzijnsbijdrage’ genoemd.
In de OCMW-raad van 24 november 2022 werd beslist om deze welzijnsbijdrage eveneens in te voeren binnen de Thuis- en Zorgdienst van OCMW Staden. Deze bijdrage bleef sindsdien ongewijzigd. Om de kwaliteit van onze dienstverlening te blijven verzekeren én continu te blijven investeren in een goede ondersteuning van zowel medewerkers als klanten, is een aanpassing van de welzijnsbijdrage aangewezen. Bijkomend wordt voorgesteld een vaste kost van 25,00 euro aan te rekenen bij het niet kunnen uitvoeren van dienstenchequeprestaties waar geen motivatie voor gekend is. Op die manier worden onverwachte kosten door onverwachte last-minute wijzigingen beter opgevangen.
Vandaag wordt voorgesteld om een administratiekost van 1,00 euro per gepresteerd uur aan te rekenen bovenop de te betalen dienstencheques. Deze wijziging werd opgenomen in artikel 8.1 van de afsprakennota van de Thuis- en Zorgdienst.
Deze nieuwe bepalingen worden van kracht vanaf 1 januari 2026. De gebruikers worden hiervan op de hoogte gesteld.
De basisregels rond de aanrekening van bijkomende kosten blijven gelijk als volgt:
Raadslid Joeri Deprez (Open VLD) komt tussen en bevestigt dat deze verhoging marktconform is. Zijn fractie zal het agendapunt dan ook goedkeuren. Naar aanleiding hiervan merkt hij op dat in verschillende gemeenten wordt beslist dat een dienstencheque-onderneming geen kerntaak meer is van het lokale bestuur. Heel wat lokale besturen kiezen ervoor om deze activiteit te laten uitbaten door een private partner.
Schepen Marc Van Ysacker antwoordt dat deze problematiek gekend is en dat dit ook in Staden reeds werd besproken. Elk scenario heeft diverse voor- en nadelen die zorgvuldig moeten worden afgewogen. Daarnaast hebben de verschillende opties uiteenlopende financiële gevolgen, onder meer voor de subsidiestroom Sociale Maribel, die sterk beïnvloed kan worden door de gekozen aanpak. De schepen benadrukt dat er naar een oplossing op lange termijn wordt gezocht voor deze sterk verlieslatende dienstverlening, maar dat dit niet van vandaag op morgen kan gerealiseerd worden.
Burgemeester Ludwig Willaert vult aan dat dit onderwerp ook in de meerjarenplanning zal terugkomen. De dienstverlening wordt voorlopig voortgezet binnen de huidige meerjarenplanning, maar men stelt uitdrukkelijk dat een structurele langetermijnoplossing noodzakelijk is. Er werd reeds afgesproken om hierover een informele gemeenteraad te organiseren, zodat alle scenario’s – met hun respectieve voor- en nadelen – kunnen worden toegelicht aan de raadsleden.
De burgemeester onderstreept dat het verlieslatende karakter een belangrijke uitdaging vormt, maar dat er ook voordelen zijn: de poetshulpen van het OCMW vormen een cruciale antennefunctie om noden bij thuiswonende senioren tijdig op te merken.
Raadslid Joeri Deprez begrijpt deze antennefunctie, maar merkt op dat dit ook kan worden ingevuld door een brugfiguur senioren.
BESLUIT:
Artikel 1:
De OCMW-raad keurt het aanrekenen van een Welzijnsbijdrage ten bedrage van 1,00 euro in de dienstencheque-onderneming Thuis- en Zorgdienst goed. Deze bijdrage wordt gefactureerd per kwartaal: begin april, begin juli, begin oktober en begin januari van elk jaar.
Artikel 2:
De OCMW-raad keurt het aanrekenen van een vaste kost van 25,00 euro bij het niet kunnen uitvoeren van dienstenchequeprestaties waar geen motivatie voor gekend is, goed.
Artikel 3:
De aangepaste afsprakennota met inbegrip van deze twee wijzigingen, zoals vastgesteld in bijlage bij dit besluit, wordt aldus goedgekeurd en gaat van kracht vanaf 1 januari 2026.
De wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet introduceerde het concept van schuldbemiddeling als volgt: "dienstverlening met uitsluiting van het sluiten van een kredietovereenkomst, met het oog op het tot stand brengen van een regeling omtrent de wijze van betaling van de schuldenlast die geheel of ten dele uit een of meer kredietovereenkomsten voortvloeit" (artikel 1, 13° WCK). Deze wet werd geïncorporeerd in het Wetboek Economisch Recht en het concept van schuldbemiddeling werd behouden.
Op 24 juli 1996 legde de Vlaamse wetgever de erkenningsprocedure voor de instellingen voor schuldbemiddeling vast in een decreet. Volgens dit decreet komen voor een erkenning in aanmerking:
mits ze voldoen aan de volgende voorwaarden: over een maatschappelijk werker beschikken die, of een gespecialiseerde opleiding van ten minste 60 uren heeft gevolgd, of minstens drie jaar nuttige ervaring heeft en over een jurist beschikken die aan dezelfde voorwaarden beantwoordt of een overeenkomst afsluiten met een jurist die aan dezelfde voorwaarden voldoet of met een advocaat die van rechtswege tot schuldbemiddeling is toegelaten.
Het Besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 1997 voert bovenvermeld decreet uit en specifieert onder meer op welke wijze OCMW's hun erkenning kunnen bekomen.
Sedert 2 maart 1999 is het OCMW Staden toegetreden tot de regionale dienst voor schuldbemiddeling Midden West Vlaanderen (RDSB). De samenwerkingsovereenkomst heeft tot doel de samenwerking tussen een aantal besturen inzake schuldbemiddeling te consolideren en verder uit te bouwen. Het OCMW van Roeselare nam een juriste in dienst om alle deelnemende besturen te ondersteunen op vlak van schuldbemiddeling. Samen met de dienst welzijn van het plaatstelijke OCMW levert de RDSB een bijdrage aan het voorkomen en oplossen van problematische schulden en situaties van structurele schuldoverlast. Als het OCMW wordt aangesteld door de rechtbank als schuldbemiddelaar in een dossier collectieve schuldenregeling wordt de cliënt begeleid door een tandem van een maatschappelijk werker en de jurist van de RDSB.
De samenwerkingsovereenkomst uit 1999 werd reeds diverse keren verlengd en het laatste protocol hiervan dateert van 2019 voor de periode 2020-2025. Voor het OCMW Staden werd dit samenwerkingsprotocol RDSB goedgekeurd in de raad voor maatschappelijk welzijn van 24 oktober 2019.
In 2025, met het oog op het vernieuwen van de samenwerkingsovereenkomst, werd een evaluatietraject opgezet en werd de samenwerking met de RDSB positief geëvalueerd. De nodige voorbereidingen voor een verlenging van de samenwerking werden dan ook getroffen. In het voorstel van het nieuwe protocol voor de periode 2026-2031 werden een aantal wijzigingen voorgesteld teneinde de stabiliteit van de werking te verzekeren en in te spelen op de maatschappelijke noden.
De voorbije jaren (1999-2025) had het OCMW Staden een goede samenwerking met de RDSB. Tijdens deze periode werd meerdere malen de samenwerking geëvalueerd en bijgestuurd.
Naast de begeleiding bij de collectieve schuldenregeling biedt de RDSB eveneens rechtshulp aan. Deze rechtshulp omhelst juridische vragen over schuldbemiddeling in de ruime zin (opmaak verzoekschriften, dossierbeheer, juridische ondersteuning, vormingsmomenten, digitaal kennisplatform).
Door de toetreding tot de RDSB werd voor het OCMW Staden aan de voorwaarden voldaan om als dienst schuldbemiddeling over een jurist te beschikken die aan de voorwaarden van opleiding heeft voldaan. Alle maatschappelijk werkers in onze dienst Welzijn die schuldhulp behandelen, hebben een gespecialiseerde opleiding gevolgd en zijn dus erkend schuldbemiddelaars.
In de dienst Welzijn is de dienstverlening schuldhulp sterk uitgebouwd. De dossiers inzake schuldhulp worden alsmaar complexer wat de noodzaak aan juridische ondersteuning beklemtoont.
De geboden deskundigheid en ondersteuning van de RDSB is noodzakelijk om verdere kwalitatieve dienstverlening schuldhulp aan te bieden. Het is dan ook belangrijk om dit goed uitgebouwde aanbod en het opgebouwde vertrouwen door de maatschappelijk werkers te continueren.
De aanrekening van de kost van de samenwerking RDSB is gebaseerd op 4 verdeelsleutels:
Gezien de veranderingen, uittreding van 2 lokale besturen, wordt een prijsverhoging en eveneens een kwaliteitsverhoging voorzien voor de komende legislatuur. Op heden is er nog geen exacte begroting opgemaakt, maar wordt geraamd op 28.190,00 euro op voorwaarde dat er geen wijzigingen zijn inzake het aantal deelnemende besturen. Er wordt een meerjarenbegroting opgesteld wanneer duidelijk is dat alle besturen de samenwerking onderschrijven.
Schepen Marc Van Ysacker licht het agendapunt toe.
BESLUIT:
Artikel 1:
De OCMW-raad keurt de verderzetting van de samenwerking en het bijhorende samenwerkingsprotocol voor de Regionale Dienst Schuldbemiddeling, zoals gevoegd in bijlage bij dit besluit, goed voor de legislatuur 2026-2031.
De voorzitter sluit de zitting op 27/11/2025 om 21:35.
Namens OCMW-raad,
Tine Dochy
algemeen directeur
Sarah Van Walleghem
OCMW-voorzitter